Van Bergen op Facebook   Van Bergen op LinkedIn   Van Bergen op YouTube

Geen bedrijfsopvolgingsregeling voor erfgenamen verhuurder benzinestation

 Enkele erfgenamen van de verhuurder van een benzinestation aan de A2 kunnen geen aanspraak maken op de fiscale voordelen van de bedrijfsopvolgingsregeling, heeft de rechtbank Gelderland geoordeeld. De erfgenamen voerden aan dat de holding van waaruit het tankstation wordt verhuurd een materiële onderneming is, maar de rechtbank gaat daar niet in mee.

De oorspronkelijke eigenaar van het benzinestation nam tot 1992 zelf de exploitatie voor zijn rekening, maar verhuurde het bedrijf daarna samen met de concessie via een dochtermaatschappij. Twee jaar later werden de aandelen in de dochtermaatschappij overgedragen aan twee andere holdings, waardoor de fiscale eenheid werd verbroken.
 
Materiële onderneming
De man overleed in 2011. Voor de inkomstenbelasting van de erfgenamen over dat jaar werden door de Belastingdienst aandelen met een overdrachtsprijs van € 4.728.750 in aanmerking genomen. Volgens de erfgenamen moest daarbij met de bedrijfsopvolgingsregeling rekening worden gehouden omdat er sprak was van een materiële onderneming, volgens de fiscus niet. Ter onderbouwing voerden de erfgenamen aan dat sprake was van meer dan normaal vermogensbeheer, gelet op de samenstelling en de aard van het vermogen, de bij de exploitatie gelopen risico’s, en de aard en omvang van de activiteiten. Er moesten investeringsbeslissingen worden genomen waarvoor gesprekken moeten worden gevoerd, berekeningen moeten worden gemaakt en branchekennis van belang is. Daarnaast wezen de erfgenamen in dat verband op de noodzaak contacten te onderhouden met betrokken partijen zoals Rijkswaterstaat en onderhoudsbedrijven.
 
Normaal vermogensbeheer
De rechtbank leidde daar echter uit af dat de werkzaamheden van de huidige aandeelhouders slechts enkele dagen per maand kosten. Daarmee is onvoldoende onderbouwd dat werkzaamheden werden verricht die naar aard en omvang méér omvatten dan normaal vermogensbeheer, oordeelt de rechtbank.
Met betrekking tot het rendement werd bovendien niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een rendement dat het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaat. Ook in dat opzicht hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer.

Bron: Accountancy Van Morgen

«« terug